Gasverlichting

In 1544 verschijnt in Amsterdam de oudst bekende straatverlichting een lantaarn met een kaars. 

Jan van der Heyden ontwikkelde in 1669 een geheel nieuw type lamp, de (raap)olielantaarn.
Hij brandde langer en beter dan de beste kaars.
Deze nieuwe op een houten paal geplaatste lantaarn werd door de gemeente Amsterdam in groten getale aangeschaft, spoedig gevolgd door Haarlem.
Op 3 januari 1793 kochten de regenten twee van deze lantaarns.
Ze staan nog steeds in de hoftuin.

In 1785 werd door de Nederlander Jan Pieter Minckelers de gasverlichting uitgevonden.
Pas in 1837 brandden de eerste gaslantaarns in Haarlem. Het waren Ritter lantaarns, die of op een houten paal bevestigd waren of op een metalen wandarm van het merk Gautz.
Een lantaarnopsteker moest de lantaarn ontsteken.

In 1886 werd het gasgloeilicht uitgevonden.
Door het gebruik van gloeikousjes werd een veel sterkere lichtopbrengst bereikt.

Deze vorm van straatverlichting maakte furore en hield het vol tot de jaren zestig van de vorige eeuw om plaats te maken voor elektrische verlichting.
In het Frans Loenenhofje bevond zich nog zo'n originele op een Gautzarm bevestigde Ritterlantaarn. Deze op elektrisch licht omgebouwde lantaarn was afkomstig van Grand Hotel Funckler in de Kruisstraat, het pand waar nu een AH-winkel in gevestigd is.

In 1986 is deze zeldzame lantaarn door de Leidse gaslantaarnspecialist Henk van den Berg weer teruggebouwd op gasverlichting.
Na een sponsor gevonden te hebben, werden er drie replica's van deze unieke gaslantaarn gebouwd zodat sinds 25 maart 1987 het gehele hofje door gaslicht verlicht wordt. Elektronica zorgt er nu voor dat het licht automatisch ontstoken wordt. 
 
Het is een romantische belevenis om tijdens de verschillende seizoenen het zacht suizende, warme en levendige licht, dat uit deze lantaarns straalt, te ervaren.